Bel 085 051 6823 (ma-vr 8.00-17.00)

Category: Hechtingsproblematiek bij volwassenen

Onveilige hechting als kind kan ertoe leiden dat we als volwassene moeite hebben in de omgang met anderen en met relaties. De relatie tussen ouder (of verzorger) en kind is de eerste relatie die een kind heeft in zijn of haar leven. De band die we in onze eerste vijf levensjaren opbouwen met onze ouders, vooral onze moeder, is van grote invloed op de rest van ons leven. Nieuwe relaties worden beïnvloedt door de relationele verwachtingen die zijn ontstaan toen we klein waren. Verlatingsangst of bindingsangst bij volwassenen komt vaak voort uit een onveilige hechting in onze vroege kindertijd.

Als je een moeilijke start hebt gehad in je leven, een ziekenhuisopname toen je nog klein was, verlies van een of beide ouders, adoptie, een pleeggezin, misbruik, geweld of het niet beschikbaar zijn van je ouders door ziekte of hun eigen problemen, kun je een hechtingsstoornis of hechtingsprobleem ontwikkelen. Dit kan al op jongere leeftijd zijn ontstaan, maar kan ook veroorzaakt worden door een traumatische gebeurtenis of moeilijke relatie(s) later in je leven.

Er zijn voor Nederland geen exacte cijfers bekend over het voorkomen van hechtingsproblemen, maar naar schatting is zo’n 30-40% van de kinderen onveilig gehecht.

Vormen van onveilige hechting bij kinderen

John Bowlby, een Engelse arts, is de grondlegger van de hechtingstheorie. Bowlby deed in het midden van de vorige eeuw onderzoek naar gedrags- en emotionele stoornissen bij instellingskinderen. Hij toonde het belang aan van hechting op het functioneren van kinderen. Net van voeding en verzorging is ook een veilige hechting met de primaire verzorger(s) noodzakelijk voor een gezonde ontwikkeling.

De Amerikaanse psycholoog Mary Ainsworth maakte een onderscheid tussen veilige en onveilige hechting. Voor een veilige band tussen ouder/verzorger en kind is het belangrijk dat het kind ervaart dat de ouders er op cruciale momenten zijn, sensitief reageren en dat het kind altijd om hulp kan vragen. Ainsworth ontdekte drie typen hechtingsproblemen: onveilig-vermijdend, onveilig-ambivalent en gedesorganiseerd gehecht.

Veilig gehecht

Kinderen die veilig gehecht zijn vertrouwen erop dat hun ouders er zijn als ze hen nodig hebben. De ouders zijn empatisch, letten goed op de signalen die het kind afgeeft en reageren op passende wijze op zijn of haar behoefte. Veilig gehechte kinderen zoeken hun ouders op als ze bang zijn, maar voelen zich veilig om hun omgeving te ontdekken.

Onveilig-vermijdend gehecht

Deze hechtingsstijl ontstaat bij kinderen waarvan de ouders niet houden van fysiek contact en afwijzend, snel geïrriteerd en consequent niet empathisch zijn. De ouders geven daarmee de boodschap af dat het kind niet gewenst is. Vermijdend gehechte kinderen lijken vaak erg zelfstandig en reageren bij terugkomst nauwelijks op de ouders. Ze hebben geleerd hun gevoelens niet te uiten en doen geen beroep meer op hun ouders uit angst voor afwijzing.

Onveilig-afwerend (ambivalent) gehecht

Een ambivalente hechting kan ontstaan als ouders inconsequent en onvoorspelbaar zijn. Deze ouders zijn vaak op cruciale momenten niet beschikbaar voor het kind. Ze willen niet dat hun kinderen afhankelijk van hen zijn, wat er toe leidt dat kinderen niet krijgen wat ze nodig hebben. Ambivalent gehechte kinderen klampen zich vast aan hun ouders en reageren tegelijkertijd bij terugkomst afwerend om hun woede en teleurstelling over de afwezigheid te tonen. Als de ouders niet aanwezig zijn, speelt of onderzoekt het kind nauwelijks.

Gedesorganiseerd gehecht

Gedesorganiseerde hechting ontstaat als de ouders het kind angst inboezemen en onvoorspelbaar zijn. Mishandeling van het kind of onverwerkte trauma’s bij de ouders kunnen bijdragen aan deze vorm van onveilige hechting. Kinderen met gedesorganiseerde gehechtheid hebben geleerd dat ze niet op hun ouders kunnen vertrouwen. Ze hebben daarbij echter niet geleerd om hun eigen emoties te reguleren. De eigen gevoelens en verlangens worden niet erkend. Om de band met de ouders niet op het spel te zetten past het kind zich aan naar de wensen van de ouder.

Reactieve hechtingsstoornis

De termen onveilige hechting, hechtingsproblemen, hechtingsproblematiek en hechtingsstoornis worden door elkaar heen gebruikt. Het is van belang onderscheid te maken tussen deze algemeen gebruikte termen en de gerelateerde psychische aandoeningen reactieve hechtingsstoornis en ontremd-sociaalcontactstoornis.

Een reactieve hechtingsstoornis (RHS) of reactive attachment disorder (RAD), zoals geclassificeerd in de DSM (Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders) is een stoornis ontstaan in de eerste vijf levensjaren waarbij een kind geen duidelijk aanwijsbare gehechtheidsfiguur heeft waarop het zich richt. Dit gebeurt alleen indien er sprake is van een ernstig verstoorde hechtingsrelatie, zoals bij aanhoudende en ernstige (fysieke of affectieve) verwaarlozing of mishandeling. Kinderen met een reactieve hechtingsstoornis vertonen specifieke patronen van afwijzend sociaal gedrag. De DSM maakt onderscheid tussen twee subtypen: het geremde type en het ongeremde type. Er wordt geschat dat een reactieve hechtingsstoornis voorkomt bij circa 1% van de bevolking. Het is belangrijk om op te merken dat onveilige hechting niet per definitie leidt tot een reactieve hechtingsstoornis.

Hechtingsstijlen en hechtingsstoornis bij volwassenen

Het (on)vermogen om een intieme relatie op te bouwen met je partner wordt beïnvloed door de hechtingsstijl die je als kind ontwikkelde. De hechtingsstijlen bepalen voor een groot deel hoe je jezelf ziet (positief of negatief zelfbeeld) en wat voor verwachtingen je hebt van anderen. Belangrijk hierbij om op te merken is dat latere interacties (met vrienden of partners) je hechtingsstijl positief of negatief kunnen veranderen. Je hechtingsstijl is geen karaktereigenschap, het is niet iets wat vast staat. En je kunt ook met verschillende mensen een verschillende hechtingsband hebben, dus bijvoorbeeld veilig gehecht met je moeder, maar gepreoccupeerd gehecht met je vader.

Omgaan met hechtingsproblemen als volwassene

Omgaan met hechtingsproblemen doen we als volwassene anders dan toen we nog kinderen waren. Bartholomew en Horowitz (1991) vertaalden Bowlby’s ideeën over de relatie van kinderen met zichzelf en met anderen naar een tweedimensionale structuur. Bij kinderlijke hechting spreken we over de dimensie ‘angst’, dit werd voor volwassenen vertaald naar een positief of negatief zelfbeeld. De dimensie ‘vermijding’ werd aangepast naar een ‘positief vs negatief beeld van anderen’. Er ontstaan dan vier hechtingspatronen: veilig, gepreoccupeerd, vermijdend en angstig.

Veilig gehecht als volwassene

Volwassenen die als kind veilig gehecht zijn voelen zich op hun gemak in emotionele relaties, ze kunnen goed omgaan met hun eigen emoties en die van anderen. Ze hebben een positief zelfbeeld en vertrouwen zichzelf en anderen. Daarbij voelen ze ook een gezond evenwicht tussen afhankelijkheid en zelfstandigheid.

Angstige hechtingsstijl

Gedesorganiseerde hechting bij kinderen wordt een angstige hechtingsstijl bij volwassenen. Door een laag zelfbeeld en een negatief beeld van anderen, vinden angstig gehechte volwassenen het moeilijk om anderen te vertrouwen. Ze willen graag hechte relaties, maar durven niet omdat ze bang zijn gekwetst te worden. Er bestaat een grote angst om afgewezen te worden, waardoor ze relaties uit de weg gaan. In intieme relaties zoeken ze bevestiging van hun belangrijkheid, waardoor ze erg afhankelijk zijn van de ander. Er is een voortdurend conflict van bevestiging zoeken en nabijheid vermijden, aantrekken en afstoten (combinatie van verlatingsangst en bindingsangst).

Gepreoccupeerde hechtingsstijl

Ambivalente hechting bij kinderen kan bij volwassenen omslaan naar een gepreoccupeerde hechtingsstijl. Daarbij zorgt een laag zelfbeeld voor weinig zelfvertrouwen en een continue twijfelen of anderen hen wel aardig vinden. “Ik vind anderen meestal aardiger dan zij mij”. Ze vinden het belangrijk om aardig gevonden te worden en zijn bang om in de steek gelaten te worden (emotionele afhankelijkheid). Deze verlatingsangst uit zich in extreme jaloezie en een excessieve drang naar nabijheid en ‘pleasen’. Dit kan voor de partner heel benauwend worden.

Vermijdende hechtingsstijl

Als kind moesten ze al vroeg op eigen benen staan, waardoor ze ook als volwassenen weinig verwachten van anderen en wantrouwend zijn. Ze hebben vaak korte en oppervlakkige contacten en houden ervan om zichzelf te kunnen redden. Liever alleen dan samen. Onafhankelijkheid, zowel van zichzelf als van de ander, is heel belangrijk en ze krijgen moeilijk een gevoelsmatige band met hun partner. Hechtingsproblemen ontstaan alleen als ze wel een relatie aangaan, dan ontstaat er bindingsangst.

Onveilige hechting en psychische problemen

Onveilige hechting speelt niet alleen een rol in (liefdes)relaties. Als je onveilig gehecht bent, ben je kwetsbaarder voor psychische problemen. Dit geldt met name als je een angstige of gepreoccupeerde hechtingsstijl hebt, omdat deze stijlen samengaan met een negatief zelfbeeld. Er bestaat een grotere kans dat je last krijgt van een psychische aandoening, zoals een angststoornis, depressie, burn-out, verslaving, faalangst en andere angst-, stemmings- en gedragsstoornissen. Vaak besef je niet dat een onveilige hechting hieraan ten grondslag ligt.

Ernstige psychische problematiek die in verband wordt gebracht met een verstoorde hechting is onder meer borderline, anorexia, persoonlijkheidsproblematiek en automutilatie. In stressvolle of traumatische situaties neemt de kans op psychische problemen bij onveilige gehechte volwassenen aanzienlijk toe.

Behandeling hechtingsproblematiek

Natuurlijk is het niet de enige factor, maar hechting is cruciaal voor een goede psychische gezondheid, dit wordt steeds meer bevestigd door wetenschappelijk onderzoek. Bij een hechtingsstoornis behandeling is dat waar de focus ligt. Het is met name belangrijk dat we onze eigen gevoelens leren herkennen en benoemen en dat we leren omgaan met deze gevoelens in relatie tot anderen (dit noemen we effectregulering). Dit heb je nodig om te kunnen mentaliseren.

Mentaliseren

Kort gezegd komt het er bij mentaliseren op neer dat je van binnenuit naar anderen kijkt en van buitenaf naar jezelf. Je begrijpt welke gevoelens en gedachten je eigen gedrag beïnvloeden en je kunt je ook voorstellen wat een ander voelt. Waarbij je wel beseft dat niet iedereen alles op dezelfde manier ervaart als jijzelf. Als je hechtingsproblemen hebt kun je vaak minder goed mentaliseren. In therapie kun leren om je eigen gevoelens te herkennen en benoemen.

Relatietherapie en hechtingsstoornis

Naarmate een liefdesrelatie langer duurt, worden intimiteit en een emotionele band belangrijker. Hechtingsproblemen gaan een grotere rol gaan spelen. Hechtingstheorie is dan ook meestal de basis voor relatietherapie. Daarbij is de hechtingsstijl van beide partners van belang. In onze volwassen intieme relaties vallen we onbewust terug op het hechtingspatroon uit onze kindertijd. En omdat deze patronen zo bekend en vertrouwd voelen, vinden we het moeilijk om te veranderen. Relatietherapie helpt om meer inzicht te krijgen in de hechtingsstijl van beide partners en welke gedragspatronen daardoor worden geactiveerd.

Piekerpoli: hulp bij hechtingsproblematiek

Onveilig gehechtheid als kind leidt vaak tot onveilige hechting bij volwassenen. Therapie voor hechtingsproblematiek kan je helpen, want hoewel je hechtingsstijl vaak ontstaat in je vroegste jeugd staat deze niet onherroepelijk vast. In de therapiesessies bouw je een hechtingsband op met je therapeut, dus het belangrijk dat er vanaf het begin een goede klik is. Een hechtingsproblematiek behandeling is een langdurig en waardevol therapeutisch traject, wat je veel kan opleveren.

De Piekerpoli psychologen en therapeuten hebben veel ervaring met het behandelen van hechtingsstoornissen en hechtingsproblematiek. Ze maken daarbij onder meer gebruik van cognitieve gedragstherapie (CGT), emotieregulatie, emotional freedom techniques, mindfulness, lichaamsgerichte therapie, oplossingsgerichte therapie, voice dialoog, innerlijk kind therapie, gestalttherapie, transactionele analyse, schematherapie en EMDR.

Kun je bindingsangst overwinnen?

Het klinkt misschien gek, maar bindingsangst komt voort uit verlatingsangst. Deze verlatingsangst is meestal ontstaan in je vroege kindertijd als gevolg van onveilige hechting aan je ouders of verzorgers. Bindingsangst en verlatingsangst zijn dus nau ...

Vaktherapie: actief aan de slag met je problemen

Zit je veel ‘in je hoofd’? Ben je verbaal sterk en heb je weinig verbinding met je emoties en gevoel? Of vind je het moeilijk om te praten over je problemen? Dan is Vaktherapie wellicht een goede optie voor je! Wees gerust, vaktherapie betekent n ...

Ik weet zeker wat mijn partner denkt, denk ik

Waarom begrijpen mijn partner en ik elkaar niet? Dat is een vraag die ik veel hoor van stellen die bij mij in relatietherapie komen. Partners denken dat ze elkaar door en door kennen, maar is dat wel echt zo? We hebben allemaal de neiging om dingen i ...

SHARE ON